Gisteren (woensdag) heeft de Rechtbank Den Haag geoordeeld dat de persrichtlijn 2025, waarbij journalisten van de nieuwe media geen verslag meer mochten doen van rechtszaken, in strijd is met de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid – en haar daarom onrechtmatig en onverbindend heeft verklaard.
Op de site rechtspraak is te lezen: “Het accreditatiesysteem uit de Persrichtlijn 2025 van gerechten, waarmee wordt bepaald welke personen gebruik mogen maken van de persfaciliteiten in de gerechtsgebouwen, is onrechtmatig en onverbindend. Dat volgt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een bodemprocedure die de Vereniging van Vrije Journalisten (VVJ) en twee journalisten hebben aangespannen tegen de Nederlandse Staat. De rechtbank oordeelt dat het accreditatiesysteem in strijd is met de vrijheid van meningsuiting zoals die is vastgelegd in artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).”
Dat is een grote overwinning voor journalisten die geen lid zijn van de NVJ, de Nederlandse Vereniging van Journalisten, en daardoor geen officiële perskaart hebben.
Onafhankelijke journalisten Brouwer en Le Pair, tezamen met de Vereniging voor Vrije Journalisten (VVJ) gingen tegen deze nieuwe richtlijn in beroep en stelden dat de rechtspraak, met de door hen geïmpliceerde definitie van ‘journalist’, discrimineert op inkomen en daarmee ingaat tegen de Nederlandse wet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De Rechtbank Den Haag stelt de beide klagers nu dus in het gelijk.
Vanaf 1 juni 2025 mochten volgens die nieuwe richtlijn alleen journalisten die in het bezit zijn van een perskaart uitgegeven door slechts één bepaalde journalisten-vakbond, de Nederlandse Vereniging van Journalisten, nog accreditatie aanvragen om verslag te kunnen doen van rechtszaken. Zonder die accreditatie is er geen toegang meer tot persfaciliteiten en is het niet langer toegestaan geluids- en/of beeldopnames te maken van zittingen, of gebruik te maken van een laptop of telefoon.
In haar oordeel stelt de rechtbank allereerst vast dat het EVRM bepaalt dat een ieder het recht heeft op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag.
Een verderstrekkende uitspraak dan deze zaak, die ook gevolgen kan hebben voor de nu steeds knellender overheidscensuur tegen onwelgevallige meningen.
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens strekt er volgens de rechtbank mede toe het recht op vrije nieuwsgaring door de pers te waarborgen. De in de Persrichtlijn 2025 opgenomen regels beperken de vrijheid van nieuwsgaring omdat bezit van een van de voorgeschreven perskaarten dan wel het lidmaatschap van de BPV een voorwaarde is voor het mogen verrichten van bepaalde werkzaamheden, zoals het maken van geluids- en/of beeldopnames. In deze zaak is het de vraag of die beperking gerechtvaardigd is.
De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is.
De gerechten hebben de verantwoordelijkheid voor de toegang tot de persfaciliteiten neergelegd bij de grootste beroepsorganisatie van journalisten, namelijk de NVJ, zonder inzichtelijk te maken hoe ze tot deze keuze zijn gekomen en zonder inzichtelijk te maken hoe deze beroepsorganisatie met deze verantwoordelijkheid omgaat. Daardoor wordt eenieder die toegang wil hebben tot de persfaciliteiten van de gerechten in feite gedwongen lid te worden van deze beroepsorganisatie die onder meer voorwaarden stelt inzake inkomen en/of tijdsbesteding. Deze voorwaarden vormen weliswaar een objectief en meetbaar criterium, maar zijn te beperkend omdat ze personen uitsluiten die bijdragen aan het publieke debat, zonder dat een voldoende duidelijke en reële mogelijkheid bestaat om van dergelijk soort voorwaarden af te wijken.
Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat door het op deze manier aan de NVJ uitbesteden van de keuze wie gebruik kan maken van de persfaciliteiten onder de Persrichtlijn 2025, de traditionele groep van journalisten voor accreditatie in aanmerking komt, maar de groep van personen die bijvoorbeeld als actieve burger, blogger of vlogger bijdragen aan het publieke debat hiervoor niet in aanmerking lijkt te komen. Dit terwijl ook zij een bepaalde ‘public watchdog’ functie vervullen. Dit is in strijd met artikel 10 van het EVRM. De rechtbank merkt op dat de gerechten het kennelijk niet wenselijk vinden om invloed te hebben op wie tot de persfaciliteiten worden toegelaten. Maar daarbij wordt miskend dat de gerechten de verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij het recht op vrije nieuwsgaring in samenhang met de openbaarheid van de rechtspraak inperken.
De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is toegelicht waarom de gehele Persrichtlijn 2025 buiten werking moet worden gesteld. De vordering die daarop ziet, wordt dan ook afgewezen. Wel oordeelt de rechtbank dat de accreditatievoorwaarden in de Persrichtlijn 2025 onrechtmatig en onverbindend zijn.
Bron: rechtspraak.nl
Ons eerdere artikel over deze rechtszaak

